“Topsport heeft niks te maken met fair play. Het is vervuld van haat, jaloezie, opschepperij, minachting voor de regels en een sadistisch genoegen om geweld te aanschouwen. Met andere woorden, het is oorlog, zonder het schieten.” Deze woorden komen van auteur George Orwell, een man die weleens vaker dingen heeft verwoord die als een profetie beschouwd kunnen worden, om z’n roman ‘1984’ niet bij naam te noemen. In dit geval had hij het over de MotoGP kunnen hebben.

Geschreven door Pieter Ryckaert Foto’s  Gold and Goose, Archief

Volgens een andere legendarische auteur, Ernest Hemingway, bestaan er in de wereld slechts drie sporten: ‘stierenvechten, motorsport en bergbeklimmen. Al de rest zijn spelletjes.’ En hoewel we daar graag nog elke vorm van full contact gevechtssporten aan toe zouden voegen, heeft Hemingway een punt. De grootste gemeenschappelijke deler is gevaar, al dan niet voor eigen leven en alle primaire emoties die daarbij komen kijken. Naast de opsomming van Orwell in de inleiding, spelen ook nog eens ego’s en tot op zekere hoogte psychopathie mee. Als we dat gezamenlijke, sportpsychologische licht even over de MotoGP laten schijnen, dan komen we zo’n beetje uit op het punt waar we nu zijn aanbeland in de MotoGP. To-ta-le Oorlog. Rossi vs. Márquez. Viñales vs. Márquez. Yamaha vs. Márquez. Aleix Espargaró vs. Petrucci. Siméon vs. Aleix Espargaró. Lorenzo vs. Dovizioso én zichzelf. Pedrosa vs. Zarco. Miller tegen iedereen, net als Crutchlow. En ga zo maar door. Dit moet een micro-opname zijn van hoe wereldoorlogen starten. Twee groten der aarde komen meermaals in aanvaring. Er wordt partij gekozen, stelling ingenomen en vervolgens heen en weer gevuurd. En uiteindelijk ligt iedereen met iedereen te vechten. Al dan niet via Twitter. Een van de terugkerende eisen die via sociale media steeds terugkwamen op al die vetes in de MotoGP, van zowel journalisten als fans, was meer respect onder de rijders. En die eis is begrijpelijk met het oog op ongelukken, gewonden of erger. Maar mensen die dat eisen, snappen niet helemaal hoe racen aan de top werkt. Als voetbaltrainer Leo Beenhakker ooit verkondigde dat ‘voetbal oorlog is’, dan heeft hij geen idee hoe het er in de motorsport aan toegaat. Zonder stelling in te nemen over wie welke fout heeft begaan in welke fase van de Argentijnse MotoGP, of in de nasleep daarvan, willen we een aantal dingen opsommen over hoe het er in en rond de racecircuits aan toegaat. Daarbij willen we graag ook over de grens van de MotoGP, WSBK en MX heen gaan en zelfs voorbeelden uit de autosport ( en eentje uit het spelletje basketbal) aanhalen. Omdat het, los van het gebruikte vervoermiddel, om dezelfde soort sport gaat, met dezelfde soort mentaliteit die erachter schuilgaat en in meer of mindere mate ook dezelfde soort toeschouwers. En vooral omdat ze ons punt staven dat racen oorlog is. Je kan racers niet in de pas laten lopen van wat algemeen aanvaarde normen een waarden zijn. Ze maken constant hun eigen regels. Begrijp ons niet verkeerd, wij houden niet van oorlog. Zeker geen vuile oorlog met al dan niet onschuldige slachtoffers. Maar we houden wel van sport en alles wat daarbij komt kijken.

Brood en Spelen
Laten we beginnen met de toeschouwers. MotoGP groeit de afgelopen jaren enorm in populariteit. En de reden daarvan is dat het racen almaar spannender wordt. De laatste jaren wordt de titel pas in de laatste GP beslist met onderweg een hoop drama, spanning en sensatie. En het grote publiek lust wel een portie drama, spanning en sensatie. Dat is waarom bij de Romeinen de wagenrennen al zo populair waren en er horden volk langs de moeilijkste kassei-stroken van Parijs-Roubaix staan. Sommigen staan er puur omwille van het aanschouwen van topsport, anderen gewoon omdat het een dagje uit is, maar een (over)groot deel omdat ze sensatie willen zien. En dat is in de MotoGP niet anders. Je kan dat als purist erg vinden, maar je kan er weinig aan doen. Er zijn nu eenmaal grote aantallen toeschouwers die enkel naar motorsport kijken omdat ze sensatie willen zien. Of zoals in de Romeinse tijd bloed wilden zien vloeien. Dat verklaart ook waarom bepaalde rijders de laatste jaren steeds harder worden uitgefloten, van Biaggi en Stoner tot Márquez. De schuld daarvoor enkel bij Valentino Rossi leggen, is kort door de bocht, maar Rossi heeft de sport groter gemaakt dan deze ooit is geweest. En dat brengt nu eenmaal toeschouwers met zich mee die niet alleen fanatiek zijn, maar het ook niet zo nauw nemen met wat genoegzaam ‘etiquette’ genoemd kan worden. Naast de sociale media volspuien met van de pot gerukte, eenzijdige meningen is het uitjouwen van tegenstanders daar het meest bekende voorbeeld van. Maar dat is niks nieuws. Spandoeken met daarop niet mis te verstane boodschappen richting rijders waren er al in de tijd van Barry Sheene, die immens populair was, maar ook uitgejouwd werd of ‘a money grabbing bastard’ genoemd werd op spandoeken. Phil Read, die zich ooit uitsprak tegen de Manx TT, keerde toch terug voor het geld en werd tijdens de TT met stenen bekogeld door fans. In de rally van Monte Carlo is het al jaren een traditie dat na de passage van Franse toppers sneeuw op de weg wordt gegooid voor andere, niet-Franse rijders. Niet dat we ook maar iets goed willen praten, maar het is dus geen recent fenomeen. MotoGP is populairder dan ooit, wat maakt dat er meer meningen geuit worden, al dan niet terecht, en dat de sport fans aantrekt met niet zo voorbeeldige houdingen. De sociale media versterken dat gevoel, met iedereen die een menig klaarheeft over massaal gedeelde beelden van incidenten. Sociale media hebben ons ook doen geloven dat elke mening nu belangrijk is én geuit moet worden. Ook als het om zoiets futiels als de MotoGP gaat.

Angst
Elke vorm van motorsport is ook veel veiliger geworden dan vroeger. Er was een tijd dat in de autosport een tiental rijders per seizoen het leven lieten en dat in de GP niet anders was. Dezer dagen zijn de veiligheidsmaatregelen op de circuits en qua beschermende kledij zo goed dat rijders veel makkelijker risico’s kunnen nemen. Er is het verhaal van Mike Hailwood, die ergens halverwege de jaren 60 als eerste de Masta-chicane op het oude Spa-Francorchamps volgas nam op een 500cc en trillend als een espenblad terugkwam. De uitloopstrook daar was een huis (nu een frituur), wat lantaarnpalen en een prikkeldraad. Z’n helm was zo’n pistpotje en z’n kledij een leren pak met op de gevoelige plaatsen een dubbele laag leer. Maar Hailwood ging er niettemin voor. Dezer dagen heb je mensen als Cal Crutchlow die vallen, op hun reservemotor stappen en een ronde later hun beste tijd verbeteren. De gevolgen van over de limiet gaan zijn veel minder ernstig.

Wat maakt dat er op weg naar de top veel minder rijders afhaken omwille van het aspect ‘gevaar’. In de tijd van Hailwood moest je echt goed zijn of het echt graag willen als je helemaal tot de top wilde raken. Als je de eerste keer Bray Hill op Man naar beneden duikt en je het gevaar dat daarbij komt kijken niet oké vindt of uit je gedachten kan verdringen, dan ga je nooit die TT winnen. Die rijders die toen aan de top reden omdat ze geen angst kenden, zijn nu de rijders die in het kleinste gaatje duiken en daarbij andere rijders durven te raken.

Cupraces
Daarnaast is de MotoGP op dit moment qua sportniveau naar ongekende hoogtes geklommen. Waar in de zestiger jaren podiumpakkers soms op minuten van elkaar finishten, is dat recent verminderd tot luttele seconden. Dat maakt dat er met andere woorden harder gestreden moet worden om op het podium te finishen. Hard gereden werd altijd al gedaan, of het nu Hailwood of Márquez betreft, maar er werd nog nooit zo heftig gestreden om elke positie of tiende van een seconde. Ook achter die podiumplaatsen. En dat maakt dat er ook automatisch meer incidenten gebeuren. Voeg daarbij dat iedereen in de MotoGP op dezelfde banden én met dezelfde elektronica rijdt, met vaak ook nog eens dezelfde veren en remmen, dan krijg je automatisch rijders die kort bij elkaar allemaal op de limiet rijden. Dat is in de Moto3 en Moto2 niet anders, waar de motoren nog meer eenheidsworst zijn. En waarbij over de limiet gaan soms de enige mogelijkheid is om een ander in te halen. Maar welke races vindt iedereen meestal het mooist? Juist, de Moto3. Waar iedere ronde zeven keer van koppositie wordt gewisseld. Waarom zijn Cupraces altijd zo populair? Omdat iedereen op of met hetzelfde materiaal rijdt en het de rijder is die het verschil maakt. Die rijder vooraan kan enkel het verschil maken door nog gekker te zijn dan al die andere gekken achter hem. En dat hoeft niet enkel op de baan te gebeuren. Onze vaste MotoGP-correspondent Mat Oxley nam ooit deel aan de Pro-Am Races, een in veel Europese landen georganiseerde cup met zo goed als standaard tweetakt Yamaha RD350’s. Zoek die beelden even op YouTube. Dat is waanzin waar de MotoGP een puntje aan kan zuigen. Oxley beschrijft onder meer scènes over een internationale race op Hockenheim, waarbij een Fransman uitzonderlijk snel bleek. Dus spanden alle Britten samen tijdens de trainingen en reden die Fransman opzettelijk van de baan, tot hij letterlijk huilend naar huis vertrok. In een andere race bleek een bepaalde Brit niet enkel bloedsnel, maar ook bloedserieus in een paddock die voornamelijk uit losgeslagen hooligans op twee wielen bestond. Dus kreeg die doodserieuze rijder op een nacht voor een belangrijke race bezoek van een dame. De dame vertrok pas vroeg de volgende ochtend, omdat ze haar opdracht om de man een hele nacht wakker te houden met verve vervulde. Die opdracht werd haar ingefluisterd én betaald door de andere rijders. Nog niet overtuigd dat racen oorlog is?

Psychische terreur
Goed dan. In 1990 verscheen een nieuw talent in de 500cc, de voorloper van de MotoGP. Zijn naam was John Kocinski en met een wereldtitel in de 250cc op zak kwam hij naar de 500’s, luid verkondigend dat hij zou stoppen met racen als hij niet binnen de twee jaar wereldkampioen werd. Dat was niet naar de zin van een aantal gevestigde waarden, z’n teamgenoot én wereldkampioen Wayne Rainey voorop. Dus nog voor het seizoen begon, besliste Rainey dat Kocinski op alle mogelijke manieren kapot moest. Elke vorm van competitie zou hij winnen. Of het nu als eerste bovenaan een trap staan, een potje biljart of een trainingsdag op Eastern Creek was, Rainey moest en zou sneller of beter zijn dan Kocinski. Wat meestal lukte en op Kocinski’s opgeblazen gevoel van superioriteit ging inwerken. Andere rijders stapten mee in het neerhalen van ‘Little John.’ Kevin Schwantz, die ooit Wayne Rainey’s zus versierde om hem te jennen en toegaf dat Rainey de enige rijder was die hij opzettelijk aanreed (wat Rainey ook bij hem deed), liet het nieuws in de paddock rondgaan dat hij 10.000 dollar over had voor de eerste die Kocinski’s vriendin zou, nou ja, jeweetwellen, iets wat uiteraard ook Kocinski ter ore kwam. Vertrek op zo’n moment maar eens voor een racesimulatie van ongeveer een uur, terwijl je vriendin achterblijft bij de motorhome in een door testosteron gedomineerde GP-paddock. En dan was er nog Kocinski’s smetvrees. De man kon uren z’n pak of motorhome poetsen en ontsloeg ooit de chauffeur van z’n motorhome omdat die onderweg het toilet had gebruikt. Dat er een tot op heden onbekend gebleven concurrent een brandblusser leegspoot in Kocinski’s motorhome is zelfs geen pesten meer te noemen, maar regelrechte psychische terreur. Kocinski hield het ongeveer 6 jaar vol in de GP500 om richting WK Superbike te verkassen en daar alsnog een wereldtitel te scoren (en uiteindelijk steenrijk te worden met vastgoed), maar schuurt wellicht nog elke dag de spreekwoordelijke pek en veren van z’n huid.

De dood injagen
‘Ja, maar vroeger was alles anders’, horen we je denken. ‘Vroeger hadden de rijders meer respect voor elkaar, want ze reden op levensgevaarlijke banen met weinig of geen bescherming. Daarom rijden ze nu als complete gekken op elkaar in.’ In dat geval is er het verhaal van Jim Redman, Honda’s eerste GP-wereldkampioen en niet vies van wat psychologische oorlogsvoering. Voor de start van de verregende 250cc-race op de Oost-Duitse Sachsenring vroeg hij op de startgrid aan z’n vriend Mike Hailwood, die net de 500cc had gereden, hoe de grip was. Hailwood antwoordde luid genoeg dat het gladder dan glad was, zodat Redmans concurrent Phil Read het zou horen. Wat Read niet wist, was dat Redman en Hailwood vooraf hadden afgesproken dat Hailwood net het omgekeerde van de waarheid zou zeggen. Redman profiteerde van de wel aanwezige grip, terwijl Read te laat reageerde en tweede finishte omdat hij al in de eerste ronde 7 seconden verloor op Redman. Grappig verhaal, maar zou Redman ooit stilgestaan hebben bij de gevolgen van het omgekeerde verhaal, namelijk dat er geen grip was en dat Hailwood zou zeggen van wel? Dat is op het randje van bewust iemand de dood injagen.

Ingebakken
Dus bekijk de komende GP’s vooral in het licht van al het voorgaande. En weet vooral dat jij er niks aan kan doen. Dat niemand er iets kan aan doen. De racers zelf ook niet. Het zit ingebakken in de natuur van racers dat ze op of naast de baan oorlog voeren. We kunnen alleen hopen dat ze net genoeg gezond verstand aan de dag kunnen leggen om elkaar niet letterlijk naar het leven te staan. En dat ook Dorna niet al te vaak moet tussenkomen. Want motorsport moet altijd dat kleine beetje oorlog in zich kunnen bewaren, anders wordt alles platgereglementeerd en krijg je hedendaagse F1-toestanden. Ook al rijden ze elkaar daar nog steeds met regelmaat van de baan. Maar geef gerust aan jezelf toe dat je het ongemeen spannend vindt, want ook dat zit nu eenmaal in onze natuur als toeschouwer. Toch?

 

MINDFUCKS

Je hoeft niet altijd iemand van de baan te rammen om een punt te maken of je dominantie te laten gelden. Neem nu Stirling Moss, de beste autoracer die nooit wereldkampioen werd. Die zwaaide tijdens z’n carrière in de vijftiger jaren altijd even als hij iemand inhaalde. Velen vinden daarin het bewijs dat racers vroeger veel ‘ridderlijker’ met elkaar omgingen. Maar achteraf verklaarde Moss dat dat niks met beleefdheid te maken had, maar alles met z’n tegenstanders de indruk te geven dat hij hen bedankte om hem voor te laten, ook al had hij alle moeite van de wereld gedaan om ze in te halen. Jim Clark, ook een van de beste autoracers ooit, hoorde eens een teamgenoot vertellen hoe hij door een plots brekende ophanging bijna van de baan klapte, maar de boel net op de baan had weten te houden. Waarop Clark doodkalm antwoordde dat hij onmogelijk op de limiet gezeten kon hebben, omdat hij dan wél van de baan was gevlogen. En Belgische MX-legende Joël Robert duwde ooit voor de start van een MX-GP een sigaret uit op het stuur van de tegenstander naast hem, vlak voor de start. Diezelfde Robert sloeg bij wijze van testrit op z’n Suzuki aan het flat-tracken in de MX-paddock. Een tegenstander zei hem dat dat nooit zou lukken op een Husqvarna, waarop Robert fluitend overstapte op die Husky en hetzelfde deed als op z’n Suzuki. Een niet nader te noemen bekend motorcoureur vertelde ons ooit dat hij op een motor met remlicht altijd eerst de achterrem aantikte voor hij echt ging doorremmen, om achteropkomers de indruk te geven dat hij vroeger remde dan in realiteit. Carl Fogarty ving ooit twee kakkerlakken in z’n hotelkamer en doopte ze Colin en Aaron, naar z’n twee grootste tegenstanders. Allemaal voorbeelden van hoe racers denken, hoe ze anderen beïnvloeden, en hoe ze mindfucken.

 

Familie

Toen ‘King’ Richard Petty, met 200 Nascar-zeges de meest succesvolle Amerikaanse Nascar-rijder ooit, op z’n 21ste de toestemming van z’n ouders kreeg om voor het eerst deel te nemen aan Nascar-races, werd hij in z’n eerste race van de baan gereden door de latere winnaar van die race, z’n eigen vader Lee Petty. Om maar aan te geven dat familiebanden geen cent waard zijn bij echte racers. En F1-ster Emerson Fittipaldi gaat er prat op dat hij bij familiale partijtjes tennis niet één keer z’n vrouw of een van z’n kinderen heeft laten winnen, omdat hij zelfs gespeeld verliezen haat.

 

I put a spell on you…

Nadat het team van Sete Gibernau na de trainingen van de GP van Qatar van 2005 Valentino Rossi beschuldigde van het laten schoonmaken van z’n startpositie op de grid (veel zand op de baan daar…), moest Rossi achteraan
starten, waarna hij als een bezetene naar voren stormde (klinkt bekend, nee?) om uiteindelijk ten val te komen. Nadien zwoer Rossi dat Gibernau nooit nog een GP zou winnen. Wat nog bleek uit te komen ook. Het doet ons denken aan de beste basketballer ooit én een van de meest meedogenloze sporters als het aankomt op afkraken van tegenstanders: Michael Jordan. Jordan las voor een wedstrijd in een krant hoe een tegenstander hem bij een volgende confrontatie uit de wedstrijd zou houden. Tijdens die match scoorde Jordan z’n eerste punten, draaide zich om naar die tegenstander en riep luid ‘38’. Na de volgende punten ‘36’ enzoverder. MJ had uitgemaakt dat hij die avond exact 40 punten ging scoren. En deed dat ook…