Bedolven onder een lawine van alsmaar opstapelende testdossiers en een gestaag aanzwellende mailbox vol overschreden deadlines, moest de chef d’équipe er hoognodig eens uit. Even niks. Even dolce far niente. Even Italië dus. Op de Z900RS en met een roltas. Meer heeft een motorrijder namelijk niet nodig.

Geschreven door Randy van der Wal     Foto’s Giovanni Mitolo

 

Misschien is dat nog wel een van de grootste charmes van de Z900RS: het ding oefent een enorme aantrekkingskracht uit om de boel uit je handen te laten vallen en gewoon lekker een stukje ongecompliceerd te gaan motorrijden. Dat is voor beroepsgedeformeerde fulltime motorisch gestoorden zoals wij een karaktertrek in een motorfiets die je enorm gaat waarderen. Een machine die in staat is je uit die hectiek van alledag te trekken en je zodra de wielen beginnen te rollen zo’n gevoel geeft van ‘o ja, waar was ik ook alweer’. Zo’n kleine reset is altijd wel lekker. Alleen, soms is zo’n kleine reset niet groot genoeg. Soms is de lokroep van witbesneeuwde alpentoppen tegen een strakblauwe lucht en de geur van smeulende cappuccino op het wiebelende tafeltje van een kleine ‘Tabacchi’ gewoon te groot. In dat opzicht kwam het goed uit dat MV Agusta last minute een uitnodiging voor een rijtest met de Turismo Veloce Lusso SCS onze kant op slingerde. Iets met een nood en een deugd. “Laat dat vliegtuig maar zitten, ik pak de Kawa wel.” Hoofdkwartier en rendez-vouspunt Varese is precies aan de goede kant van de Alpen en dus de ideale bestemming om de Z900RS op te tuigen voor onze eerste gezamenlijke expeditie buiten de Benelux.

Aan het infuus
Tuffend op de Duitse Autobahn verdampen de deadlines en verplichtingen langzaam uit m’n systeem en kan ik me bezighouden met de serieuzere zaken des levens. Wat Duisters er toch zo aantrekkelijk aan vinden om met z’n allen in een oneindige rij ‘nur links’ te fahren als er aan de horizon vrachtwagens opdoemen, bijvoorbeeld. Ondertussen slinger ik me via de lege rechterbaan semi-nonchalant een weg langs de MAN’s en Audi’s. Terwijl het groene heuvellandschap gestaag onder de wielen doorrolt, vraag ik me ook af waar dat onbekommerde ‘gewoon even lekker rijden’-gevoel van de Z900RS nu precies vandaan komt. Z’n charmante jas daargelaten, is deze Kawa namelijk in alles vooral een moderne motor.  De cilinderkoppen mogen dan uitgedost zijn met koelribben, het is ‘gewoon’ een vloeistofgekoelde 4-in-lijn, een hypermoderne ook nog, regelrecht uit de mainstream Z900. En dan zijn er nog zaken als radiale remklauwen, 3traps traction control en volledig instelbare vering rondom. Toch doen deze moderne snufjes geen afbreuk aan het old skool no-nonsens rijgevoel dat de RS uitstraalt. Ook nu weer. Het brede zadel, de two-tone tank, het chromen stuurtje, de dubbele klokken, ze voelen als een warm jaren 70-bad, zij het zonder het ongemak van volgelopen vlotters of een plots opdoemende speed wobble bij 130 km/u. Nee, de Z900RS is strak als een TGV, ook als we even voorbij Frankfurt de 200 aantikken en ik de verleiding niet kan weerstaan met een hand van het stuur toch nog even te checken of de roltas nog wel op z’n plek zit. Als je dat deed in de tijd waaraan deze machine z’n fraaie looks heeft ontleend, lag je geheid drie weken in het lokale veldhospitaal aan een infuus met Gewurztraminer. Leve de vooruitgang. Dat dan toch weer wel.

Remparachute
Wat me na een kilometer of 500 wel is opgevallen, is dat de rechttoe rechtaan zit van de RS het achterwerk nogal geselt. Het zadel is een fractie te zacht en het stuur staat een fractie te hoog. Prima voor korte ritjes, maar ga je er eens goed voor zitten dan wordt het wel oncomfortabel. Zou je nu iets meer voorover leunen, hang je ook niet zo als een opengeklapte remparachute aan het stuurtje. Goed, het is een naked dus enig haar op de tanden is bij lange liaisons wel een vereiste. Voordeel is dat na een kilometer of 200 het reservelampje wel gaat knipperen, dus extreem lang doorhalen zit er sowieso niet in. Met gemiddeld net geen 1 op 16 tijdens dit soort vrij lome snelwegstukken is de RS best dorstig te noemen, maar daar staat wel een uitmuntende, volledig trillingsvrije motorloop tegenover. Ik heb het vaker gezegd, maar deze vier-in-lijn is echt grandioos in de omgang. Dat Kawasaki ‘m bovenin bewust wat afgevlakt heeft (ten faveure van een rijker gevuld middengebied) maakt ‘m iets minder spannend, maar zorgt wel voor een loopcultuur die een retro als deze past als een Italiaans maatpak. Over Italië gesproken, de grens met Zwitserland is binnengehengeld dus we schieten aardig op. Tijd om het kamp op te slaan. Morgen weer een dag.

De romantiek, hè
Binnendoor is het credo op dag twee. De roltas gaat weer over het zadel. Twee spanbandjes, twee spinnen overdwars, voilà, als een huis. Mede geholpen door twee fraai gedraaide bevestigingsbussen op het subframe, dat zijn dan weer van die details die als reiziger een uitermate prettige uitwerking hebben op je ochtendhumeur. De kracht zit ‘m in de eenvoud. Met koffers heb ik doorgaans ruzie – als ik de klep wil openen heb ik meestal de hele koffer in m’n handen, en vice versa – en even los van het feit dat ik vaak een extra sleutel heb om kwijt te raken zijn ze killing voor de romantiek van reizen met de motor. Mensen die een cruise boeken, pakken hun koffers. Motorrijders niet. Tegelijkertijd ben ik nu al een goede tien minuten aan het zoeken naar m’n pinpas die nog in m’n casual pantalon vertoeft, diep weggestopt ergens in die donkere cilindervormige grabbelton. Tot zover de romantiek. Een kwartier later stuwt de frisse alpenlucht zich een weg langs de neusvleugels en kijken de alpenkoeien vanaf hun weiden minzaam toe hoe de oranje-bruine RS zich een weg door het Märklin-landschap baant. Een plots opdoemende, fikse regenbui verstoort het Zwitserlevengevoel enigszins en doet me vooral beseffen hoe zwaar een motorleven moet zijn geweest in het pre-integraalhelmtijdperk. Een jethelm is leuk voor die extra zintuigelijke prikkeling en het vrije motorgevoel, als het regent ben je wel aardig de pisang. Ogenschijnlijk onschuldige regendruppels transformeren tot weerzinwekkende monsters die met gestrekt been proberen je gelaat te doorboren. Een natte haarspeld aansnijden met je linkerhand voor je mond is niet bepaald ideaal, maar na een tijdje word je er wel handig in.

Enkeltje hiernamaals
Ondertussen gaan we serieus de hoogte in, en hoewel de regen wegebt naarmate we de flanken van de Gotthard verder beklimmen, daalt het kwik van 15 naar 10 en zelfs naar 5 graden. Best koud in je – inderdaad – coole zomerjackie en doorweekte retro ‘zo lekker dun leer’-handschoentjes. Zoals dat wel vaker gaat bij deze 2.106 m hoge Zwitserse scherprechter, zucht aan de zuidkant een warme Italiaanse bries door het dal. De vingers ontdooien even snel als het humeur nu de Z900 met gezwinde spoed de lange slingers van de bergflank afstuift. Haha, machtig. Dat is toch een van de charmes van motorrijden, de snelheid waarmee ontberingen en hoogtepunten elkaar afwisselen. Een kwartier geleden wenste ik mezelf klappertandend een enkeltje hiernamaals, en nu lacht het leven me weer vol in m’n ontblote bek. De RS deelt in de feestvreugde en snijdt de lange doorlopers aan met bijbehorende Zwitserse precisie. Het opschroeven van de veervoorspanning achter vanwege de bagage heeft als positieve bijwerking dat de vierpitter net even vlotter op lijn wil. De demping heb ik gelaten voor wat ze is en eigenlijk bevalt het prima. Voor- en achterkant lopen perfect in de pas en dat kleine beetje beweging uit de monoshock is eerder aangenaam dan een sta-in-de-weg. De naald van de snelheidsmeter (de wijzerplaat heeft trouwens zo’n onweerstaanbaar mooi ribbelrandje) priemt met regelmaat in de 140-160 regionen – iets waar in dit Alpenland zo ongeveer de doodstraf op staat, maar ik ben niet van plan een dergelijke bijzaak afbreuk te laten doen aan mijn geluksgevoel. Eenmaal geland in het dal springt de digitale thermometer op ‘23’. Van een bontjas naar een korte broek in amper twintig minuten. Never a dull moment in de Alpen.

Santa Maria del Monte
Een klein uur later prik ik de Z900RS bij Ponte Tresa de Italiaanse grens over. Aan m’n linkerhand kabbelt het meer van Lugano rustig in de zomerzon en blaast de veerpont z’n dubbele hoorn. Het verzorgde, klinische Zwitserland is binnen 100 meter ingewisseld voor een hoop rumoer, dames op hakken, rondscheurende Ape’s en oude mannen op hun bankjes. Het blijft wonderbaarlijk wat voor verschil een rood-witte slagboom en een lijn op de weg kan bewerkstelligen. Niet van plan meteen te vallen voor de verlokkingen van het Italiaanse buitenleven, schroeven we de gaskleppen open en zetten we langs de boorden van het Lago koers richting een stuk bergachtig niemandsland dat de RS en mij nog scheidt van eindbestemming Varese. We slingeren in een aangename cadans van de ene groene bergtop naar de andere, de boomgrens wordt hier al niet meer gehaald en af en toe doemt de Povlakte al op, in de verte. Grote oude, vaak verlaten villa’s vullen het decor, als relikwieën uit een rijk verleden. Kleine dorpjes lijken alleen nog op te schrikken van het gebeier van de onontkoombare kerkklokken. Bovenop Santa Maria Del Monte zakt de RS rustig natikkend na gedane arbeid op z’n jiffy. Vijf minuten later staat de zo felbegeerde cappuccino op tafel. Kijkend naar de RS, die zich maar weer eens als een kameleon aanpast aan de klassieke omgeving, vraag ik me af of dit nu is hoe onze vaders en moeders het motorrijden vroeger beleefden. Waarschijnlijk niet. Maar het is wel motorrijden zoals motorrijden moet zijn. Salute.