Het is een trillende duim die naar de startknop gaat. De batterij slaat aan. De startmotor ook, maar de cilinders geven niet meteen thuis. De choke staat vol open. Bij een volgende poging geef ik met schokken wat gas. De eerste, sporadische klappen. Nog eens opnieuw proberen. De eerste omwentelingen van het blok. Er zullen nog drie pogingen nodig zijn om het blok op eigen kracht te laten draaien. Een intens gebrul, dat niet onaangenaam tegen m’n trommelvliezen komt gedreund. Het blok wordt wat overenthousiast en houdt 3.000 toeren aan. Beetje spelen met de choke tot hij een normaler toerental draait en wat warmte opbouwt. Pas wanneer ik m’n helm opzet, overvalt het me. Ze leeft. Ik ga spontaan glimlachen. Ik stap op. De naar achteren geplooide stuurhelften doen vreemd aan, maar tegelijk ook vertrouwd. Bekend. Ik hel slechts een klein beetje naar rechts en de zijstaander klapt vanzelf in. Vandaar die krassen op de kuip van die keer dat ik niet klaar was. Nog eens sorry daarvoor. De koppeling is naar moderne normen beenhard. Ik schakel naar eerste. Dat vergt kracht. De bak reageert met een immense klop op dat commando. Het gas melkend, laat ik de koppeling opkomen. Niks bijten. De ketting spant zich op. De wielen gaan draaien. Ik rijd. Ze rijdt. We rijden.

Voor het eerst, na zeven jaar stilstand. En het valt met niks anders te vergelijken. Niet vergeten de choke terug te draaien. Het stationaire toerental zakt tot het punt dat ik de klappen kan tellen. We draaien de weg op. De vermogensafgifte en het koppel voelen niet krachtig, maar ontzettend lineair. Ik ben nog voorzichtig. Er zitten nieuwe banden op. De voorrem voelt aan alsof ze niet wil bijten. Ik zigzag terwijl ik intussen pompend rem. Ook achteraan, wegens nieuwe remblokken. Na een paar kilometer kom ik bij een hoofdweg. Ik moet even stoppen en krijg de bak onmogelijk in neutraal. Juist. Dat moet je al uitbollend doen. Dat was ik vergeten. Dan klaart het verkeer op, ik stuur naar rechts. Dat voelt lichter aan dan ik me had voorgesteld. En ik geef voor het eerst stevig gas. De koppeling gaat niet slippen, de snelheid bouwt op. M’n hartslag ook. Ik schrik wanneer ik 120 km/u aantik op de witte Veglia teller. Het voelt minder snel aan, altijd het teken van een goede motor. En dan komt het visioen. Ik zie mezelf, zonder motorkleding en met een illegale nummerplaat, over een vergelijkbare weg rijden. Onze eerste rit samen. Meteen naar de topsnelheid van een frustrerende net-geen-200 km/u. Totaal onverantwoord, want ik heb nog geen flauw benul van motorrijden. Maar ‘het moest even.’ Ik zie mezelf staan in de lege paddock van Chimay.

M’n eerste grote motorrit die samenvalt met het telefoontje dat ik net m’n eerste vaste job heb gekregen. Ik zie de dauwdruppels van de kuip parelen wanneer ik uit m’n tentje kruip, tergend vroeg in Echternach. Onze eerste nacht samen. Ik zie beelden van Reims, Rouen-Les-Essarts en Le Mans: de tussenstops op onze eerste grote reis en niet toevallig allemaal oude stratencircuits. Het keerpunt is Toulouse, waar een vriendin stage loopt. Een vriendin die achterop gezeten me steevast aanmaant harder te gaan. De terugkeer verloopt in pokkenweer, via Charade en Magny-Cours. Thuisgekomen is m’n nek zo verkrampt dat ik niet meer kan knikken noch schuddebollen. Maar de volgende dag al opnieuw rijden. Ik voel m’n hoofd bijna tegen de tank slaan in Eau Rouge op m’n eerste circuitdag. Ik voel m’n knie voor het eerst de grond raken in Pouhon. Een traan rolt intussen langs m’n wang. Dat ligt niet enkel aan de rijwind. Het is de blijdschap dat we opnieuw herenigd zijn. Het is de spijt dat ik zolang heb gewacht. De verwondering dat het zo goed aanvoelt. Het is de realisatie dat ik intussen 20 jaar ouder ben dan al die herinneringen. Het is het besef dat ik oprecht van een motorfiets kan houden. En dat die liefde nooit meer weggaat. Het is de liefde voor mijn allereerste motorfiets. De liefde voor m’n Super-sportje.

 

Pieter Ryckaert, hoofdredacteur Motorrijder