Om het met de woorden van Eric Van Looy te zeggen: het is gebeurd. Er staat een minimotor in de garage. Een tweedehands Yamaha PW 50, de motor die al generaties lang kinderen van het motorrijden laat proeven. Nu, de overhandiging is pas met z’n communie voorzien, dus nog even mondje dicht. Maar m’n zoon is intussen zes geworden, de deadline die z’n moeder had gesteld op het motoriseren van onze eerst-geborene. Langer uitstellen zat er niet in. Mijn zoon is een Ryckaert en zoals m’n groot-vader het ooit verwoordde: alle Ryckaerts hebben benzine in hun bloed. En dat heeft mijn zoon intussen meermaals bewezen. Hij rijdt met z’n fiets als was het een MX-motor, been uitstekend in de bochten en wild slippend. Het enige spelletje dat hij speelt op m’n oude Playstation II is MotoGP4, waarbij hij altijd twijfelt of hij Rossi dan wel Norifumi Abe wil zijn. Rossi omdat m’n zoon hem dit jaar in Assen een lolly kon overhandigen, wat z’n grote held duidelijk wist te appreciëren. Maar ‘Norick’ vindt hij cooler. Wat ik kirrend zit te aanschouwen. En ik heb nog geeneens uitgelegd dat Abe een held van Rossi was. Als ik de zitmaaier of m’n cross-brommer uit de garage haal, zit hij sneller in het zadel dan ik. En op die crossbrommer mag hij dan, gezeten op m’n schoot, gas geven. Daarbij moet ik hem steevast intomen, eerder dan aanmoedigen. Kortom, hij is er dus klaar voor. En laat me duidelijk stellen dat ik hem op geen enkele manier heb gepusht ofgestimuleerd. Maar bloed kruipt dus duidelijk waar het niet gaan kan. Hij zegt regelmatig dat hij graag zo’n kleine crossbrommer zou hebben. Monkey see, monkey do. Maar laat evengoed duidelijk zijn dat ik m’n enthousiasme niet onder stoelen of banken dien te steken.

Dat enthousiasme wordt gevoed door de hoop dat m’n zoon nu een extra mogelijkheid heeft om actief buiten te zijn. Tot vandaag heeft hij nog steeds geen iPad. Hij heeft die ook niet nodig om zoet gehouden te worden tijdens een restaurantbezoek of in de auto. Hij zit ook niet constant om m’n smartphone te zeuren om spelletjes op te spelen. En daar ben ik blij om. Ik zie m’n zoon liever ietwat te snel een berg afdalen op z’n fiets, dan hele dagen knopjes indrukken. Dat zal hij later in z’n leven wellicht nog genoeg moeten doen. Het is ook een weloverwogen keuze geweest om een oude tweetakt minimotor te kopen. In de tuin komt er wellicht een mini-MX-piste. In die zin was een stille elektrische motor een tactischer keuze geweest, maar ik wil m’n zoon nog met een ‘echte’ motor laten rijden. Daar kan hij dan later over pochen tegen z’n kleinkinderen. En als de buren te hard klagen – en dat zullen ze, gezien de klacht over m’n te hoge haag een maand geleden – zoeken we wel een andere stek om ons motorisch uit te leven. Want daar gaat het hem om, dat hij zich kan uitleven. Ik hoor nu al bezorgde moeders en vaders zich afvragen of je een zesjarige wel op een brommer moet zetten die (onbegrensd) 50 km/u rijdt. Tuurlijk wel. Liever potentieel een gebroken been dan een bekrompen geest. Het was Marco Simoncelli die zei dat je meer leeft in vijf minuten hard gaan op een motor dan sommige mensen in een heel leven. Ik moet mijn zoon nog een keer vertellen wie Marco Simoncelli was. Ach wat. Zolang hij maar gelukkig is. En terwijl ik die laatste zin opschrijf hoor ik hem zeggen dat hij graag nog een tweede broertje of zusje wil. Ik hoop dat die PW 50 hem genoeg afleidt, want er zijn – laat dat duidelijk zijn – grenzen aan het gelukkig maken van je kinderen…

 

Pieter Ryckaert, hoofdredacteur Motorrijder