Ik durf me al eens aan een Twitteroorlogje bezondigen. Deze maand schoot ik in m’n wiek nadat een groot aantal twitteraars eiste dat MotoGP-organisator Dorna Moto2-rijder Hector Barbera extra zou straffen nadat hij voor de derde keer werd gepakt wegens dronken rijden achter het stuur. Niet tijdens een race, voor alle duidelijkheid, maar terugkomend van een feestje. Voor de goede orde: ik ben geen speciale Barbera-fan en heb geen greintje respect voor dronken rijden. Hij werd berecht door de politie en ontslagen door z’n team, wat ik allemaal gerechtigd vind. Maar waarom een organisatie als Dorna ook nog eens een rijder moet straffen voor iets wat hij in z’n vrije tijd doet?

Volgens m’n Twitteroppositie heeft Barbera als GP-rijder een voorbeeldfunctie binnen de MotoGP en is hij een slecht voorbeeld voor de jeugd. Goed. Mocht ik de rijders die ik het meest adoreer als voorbeeld hebben genomen in m’n jeugd, was ik een harddrugsverslaafde, kettingrokende, bezopen auto’s in de gracht parkerende, wild in het rond neukende, racistische psychopaat op een racemotor geworden. Ik laat je zelf raden welke rijder verantwoordelijk zou zijn voor welke eigenschap, maar ik bezit geen enkele van eerdergenoemde karaktertrekken. Ook al zouden de redactieleden dat van die ‘psychopaat’ in twijfel durven trekken. Maar neem nu het ‘bezopen auto’s in de gracht rijden’. Dat was Kevin Schwantz. M’n obsessie voor Kevin Schwantz bereikte een hoogtepunt toen ik een jaar of 14 was. Ergens heb ik een Bijbel liggen waarin elk vers, bladzijde of parabel 34 is omcirkeld, omdat mijn geloof in Schwantz primeerde op wat er in de godsdienstles werd verteld.

Én 34 zijn racenummer is. Op je 14de ben je een hoogst beïnvloedbare puistenkop. Nu, Schwantz werd gesponsord door Pepsi. Ik heb enkel Coca-Cola in m’n koelkast staan. Ik liet m’n vader ooit het Lucky Strike-logo twee meter groot op m’n slaapkamermuur schilderen, omdat het de volgende sponsor van Schwantz werd. Desondanks nooit in de buurt gekomen van een sigarettenverslaving. Hij reed ooit dronken een geleende Porsche in een gracht in Oostenrijk. Ik ben niet heiliger dan de paus, maar ik snapte na één keer dronken rijden dat dat geen goed idee was. Ik werd daartoe niet aangezet ‘omdat Kevin het ook deed’, maar door m’n eigen dwaasheid destijds. Dus laat me duidelijk zijn. Kevin Schwantz is m’n held voor  wat hij op een motor liet zien. Niks meer. Niks minder. Maar zeker geen rolmodel. En is dat niet hoe we naar elke sportheld, rockster of acteur moeten kijken? Barbera incluis.

Wat ze op de baan, het podium of filmset doen, telt. Al de rest is hun probleem, toch? En als jij daar jouw probleem van wil maken, dan is dat ook jouw probleem. Ik had onlangs het geluk m’n raceheld te ontmoeten in Zolder, tijdens de Europese Suzuki GSX-R-meeting. Hij was daar als Suzuki-icoon en verscheen ten tonele met een danige kater nadat Stefan Everts hem een avond van z’n eigen gin had laten proeven. Niet echt professioneel, maar aan het eind van de dag hielp hij wel mee de tenten opruimen. Ik vroeg hem of hij zich ooit een rolmodel heeft gevoeld. Hij antwoordde stellig van niet. Hij gaf grif toe domme dingen gedaan te hebben, zoals dronken een Porsche van een sponsor in een gracht rijden nadat z’n passagier en viervoudig wereldkampioen Eddie Lawson – eveneens dronken – de handrem had aangetrokken in een bocht. En dat er in zijn tijd uiteraard nog geen Twitter bestond, waar iedereen nu rechter, beul of God kan spelen. Niettemin wordt hij (terecht) een GP-legende genoemd, terwijl Barbera wordt verguisd voor z’n fouten. Dat snap ik niet. Maar de tijden zijn duidelijk veranderd. Schwantz wijst elke vorm van verantwoordelijkheid af als rolmodel. En ik geef hem daarbij, als een van z’n allergrootste fans, voor 100% gelijk. Ik zag z’n reactie op iemand die hem kwam vertellen dat hij ‘Kevin’ heet omdat z’n vader een enorme fan was. Dat was niet de reactie van iemand die zich vereerd, maar eerder verveeld voelde. Je merkt dat hij zoiets onzin vindt omdat hij zich geen rolmodel voelt en dus ook niet wil zijn. Je kan dat respectloos noemen naar je fans toe, maar misschien verdienen sommige fans niet beter. Mijn zoon heet trouwens ‘Celle,’ naar m’n grootvader. Een van m’n weinige, échte rolmodellen…

 

Pieter Ryckaert, hoofdredacteur Motorrijder