Iedereen kent de regio rond Thionville en Metz: je passeert ‘m sowieso op weg naar het zuiden. En daar blijft het dan bij, want stoppen doe je daar eigenlijk nooit. En dat is jammer, want ten oosten van Thionville en Metz (overigens een zeer mooie stad) strekt zich het Lotharingse platteland uit dat een omweg meer dan waard is. Op het programma tijdens deze drielandenverkenning: Frans Lotharingen, de Moezelvallei, het Saarland en natuurlijk talloze bochtjes.

Geschreven door Philippe Bonamis, Jacques Berghmans Foto’s Mathieu Pecheur

Starten doen we in het Franse dorpje Kédange-sur-Canner, van waaruit het over de D918, via de D118 en D63 richting Rodlach, Lacroix en Halstroff gaat. Deze regio is verre van toeristisch en doet een beetje denken aan Belgisch Lotharingen. De plaatsnamen hier zijn Frans, de oorsprong is dan weer Teu-toons: Lotharingen is altijd al een scharnierregio geweest tussen de Romaanse en Germaanse wereld. Belangrijker voor motorrijders: hier rijg je de bochtjes aan elkaar en we komen al snel aan in Manderen, waar het kasteel van Mal-brouck op ons wacht. Nu is de weg hiernaartoe al meer dan aangenaam, maar het wordt pas echt charmant wanneer we Kitzing naderen, waar het richting Duitse grens gaat. Wanneer we later weer naar Frankrijk rijden, vallen vooral de uitgestrekte vergezichten op, met heel in de verte de kerncentrale van Cattenom – die we ook nog van dichtbij zullen passeren.



Maar vooralsnog bevinden we ons op Duits grondgebied, meer bepaald in het Saarland op het grensgebied met Luxemburg. Meer dan 100 jaar geleden werden er tussen Borg en Oberleuken sporen van een oude Romeinse nederzetting ontdekt, waarna de eerste opgravingen met de hand werden gedaan. Eind jaren 80 werden de opgravingen op grotere schaal verdergezet, en toen er plots een gigantische Romeinse villa bewaard bleek te zijn gebleven, werd midden jaren 90 besloten om de site volledig herop te bouwen. Ook vandaag gaan de opgravingen nog steeds door, de site beslaat intussen zo’n 7,5 ha. Wanneer we onze weg verderzetten, passeren we ook nog Schengen – waar in 1985 de Schengenakkoorden getekend werden. Van hieruit gaat het opnieuw de Franse grens over, dit keer gaan we zuidwaarts. In Sierck-les-Bains doemt hoog op de rotsen een kasteel op, maar wij concentreren ons liever op de wijngaarden die de oevers van de Moezel afboorden.


De loop van de rivier brengt ons naar Contz-les-Bains, en vervolgens naar Haute-Kontz. We blijven op Frans grondgebied, al maken we wel dat we zo snel mogelijk die kaarsrechte D1 achter ons laten en we draaien af naar Rodemack. Deze middeleeuwse stad bulkt van de charme en is zeker een stop waard.


Heb je geen zeeën van tijd, dan laat je Rodemack beter voor wat het is en kies je voor een uitgebreide stop bij Fort Hackenberg – ook wel ‘de reus van de Maginotlinie’ genoemd. ‘Gros ouvrage Hackenberg’ werd gebouwd tussen 1929 en 1935. Het fort is samengesteld uit 17 gevechtsblokken, 18 artilleriestukken en ongeveer 10 kilometer onderaardse gangen, waarvan twee kilometer open is voor het publiek. Een stop hier is een absolute must. Je kunt er ook rustig je tijd nemen, want onze lus in dit drielandenpunt is bijna rond. Na een bezoek aan het fort hoeven we enkel het stuur weer richting Kédange-sur-Canner te draaien, want een aantal bijzonder aangenaam kronkelende asfaltlintjes verder zijn we weer terug bij ons startpunt.