Houdt u de lockdown nog een beetje vol? Ik wonderwel, al zie ik de hele coronacrisis intussen met lede ogen aan. En dat zelfs ondanks de slachtoffers, de drama’s, de economische gevolgen en dies meer. Uiteraard raken al die dingen me, zeker als je hoort hoe sommige vrienden door het virus worden getroffen in zowat de ergst denkbare omstandigheden. En je bevestigd ziet waarom het vrienden zijn in de manier waarop ze daar alsnog positief mee omgaan.

Wat ik vaststel ligt daarbuiten en is er tegelijk onlosmakelijk mee verbonden; en daarin speelt het triviale gegeven ‘motorrijden’ een symbolische rol. Hoewel ik afstand heb gehouden van mensen, m’n handen tot bloedens toe heb ontsmet en net als de meeste mensen die me dierbaar zijn in m’n kot ben gebleven, omdat ik het nut van al die opgelegde regels volkomen inzie, ben ik steevast ‘motorrijden’ blijven verdedigen als perfect uitvoerbare activiteit. Niet omdat ik zelf motorrijder ben, maar omdat ik – net als Marc Van Ranst trouwens – niet inzie hoe je een virus verspreidt als motorrijder. Of het moet het motorvirus zijn. Ik deed zelfs een steekproef bij (niet-) motorrijdende (spoed)verpleegkundigen die er evenmin graten in zagen. Ja, je wil nu niet na een ongeval op spoed terechtkomen, maar de meesten haalden zelf logischerwijs aan dat je dat nooit wil als motorrijder, toch? Helaas kreeg ik geen cijfers van de lokale hospitalen over de huidige spoedopnames. Ik durf er op straffe van een spoedopname vergif op innemen dat er in deze ‘blijf in je kot’-tijden meer opnames gebeuren met verveelde doe-het-zelvers en ongeoefende fietsers dan er ooit met motorrijders kunnen gebeuren, maar dat kan ik dus niet staven.

Daarom ben ik niet op de barricades gekropen om motorrijden te eisen, maar je kan wat mij betreft in al het volgende ‘motorrijden’ vervangen door eender welke vorm van niet-essentieel tijdverdrijf dat zich in de buitenlucht en op voldoende afstand van de medemens voltrekt. Kleiduifschieten, diepzeeduiken of fierljeppen, ik zeg maar wat. Daarbij gaat het me om het verdedigen van vrijheid, hoewel ik perfect begrijp dat er ergens een lijn getrokken dient te worden. Doch, vrijheid is wat mij betreft het enige wat een mensenleven de moeite waard maakt, ook in tijden dat je in je kot moet blijven. De zin om te kunnen doen en laten wat je wil of ergens naartoe te werken, binnen de ongeschreven regels van het fatsoen (of in dit geval hygiëne) en de realiteit dat wetten, regels en bezwaren al eens in de weg kunnen staan van die vrijheidsdroom. Wars van wat een ander daarvan denkt en binnen wetten en regels die al eens durven veranderen, meestal in de ‘strenge’ richting. Persoonlijk voel ik me op geen enkel moment vrijer (en socialer gedistantieerd) dan wanneer ik alleen over een verlaten stuk weg motor rij. En ik snap én respecteer dat het voor een ander aan het eind van een lange stok over een beek wippen kan zijn, voor wie ‘fierljeppen’ niet kende. Ik snap evengoed dat motorrijden, los van professionele redenen, geen essentie is. Nooit. En dat het behoorlijk triviaal én kortzichtig overkomt om motorrijden toe te laten in deze ‘verwarrende tijden’.

Nu, wat mij verbaasde en ik dus met lede ogen aanzag, is hoeveel motorrijders zelf giftig reageerden op voorstellen om motorrijden toe te staan, zelfs vanuit belangenverenigingen die zouden moeten opkomen voor motorrijden, met soms weinig aan de verbeelding overlatende bewoordingen. Het klonk propagandistisch ‘dat we in ons kot moesten blijven’ en ‘er allemaal samen door moeten’. En dat klopt. We moeten er allemaal samen door en zouden in ons kot moeten blijven, hoewel er de laatste weken wellicht nog nooit zoveel volk uit z’n kot is gekomen, heb ik de stellige indruk. In je spreekwoordelijke kot blijven kan in principe nog steeds terwijl de één individueel op z’n motor zit en de ander een uit klei vervaardigde schijf uit de lucht schiet. Dat is niet minder virologisch gevaarlijk dan wat triest zitten turen vanachter het vensterraam. Laat staan urenlang met 40 rijtje staan schuiven achter een zogezegd ontsmette winkelkar voor de plaatselijke supermarkt. Maar toiletpapier en bakpoeder blijven nu eenmaal essentieel, blijkbaar.

Quasi iedereen schijnt intussen in een hysterische ‘blijf in je kot’-kramp geschoten waarbij elke vorm van redelijkheid, hoe triviaal ook, meteen onthaald wordt op quasi totale verkettering. Wie het toch waagt z’n stem van de rede te laten spreken, wordt versleten voor egoïstische idioot die z’n eigen, kleine pleziertjes boven de gemeenschapszin plaatst, wars van elke vorm van realiteitszin, gevaar voor eigen leven en uiteraard dat van een ander. Die verkettering wordt veelal ingetikt op de broeihaard van bacteriën die een mobiele telefoon is én uiteraard omsluiten diezelfde vingers even later de zogenaamd ontsmette kar van de Colruyt waar zulke heerschappen zich met z’n allen tegelijk naar binnen wurmen. Terwijl je zelf enkel maar een logische gedachte dacht te opperen. Plots kan ik me enorm inleven in hoe die racers op het eiland Man door velen worden gezien en hoe ik ze in de toekomst nog harder zal verdedigen wat hun vrijheid aanbelangt. Maar wat mij betreft is bovenal bewezen dat niet zozeer de fascistoïde Big Brother het probleem is, maar alle Little Brothers die hem z’n bestaansreden geven en er zonder al te veel nadenken achteraanhollen. Op veilige, anderhalve meter afstand.