Weinigen weten hoe het voelt om voor een nokvolle Royal Albert Hall een perfecte Rachmaninov nr.3 uit een piano te sleuren. Of wat er door je heen gaat als je bovenop de Everest staat, wetende dat er eerder dat jaar al gemiddeld vijf doden bij zijn gevallen. En er bestaan weinig mensen die nipt een dodelijk val in een ravijn hebben weten te vermijden. Maar stel je voor dat je die drie sensaties en emoties kan bottelen in een blikje van 25 cl, en Red Bulll en consorten kunnen wel inpakken. Want in tegenstelling tot hopen suiker, cafeïne en nog wat ingrediënten, zou die toverdrank bestaan uit de krachtigste mix van adrenaline en serotonine die een menselijk lichaam kan verwerken. Wel, díe toverdrank is wellicht wat rijders na de Isle of Man TT door hun aderen voelen stromen. En dat moet verslavend zijn. Gevaarlijk ook.

De kranten stonden de voorbije maand bol van de berichten over de dood van vijf rijders tijdens de Isle of Man TT. Een uitzonderlijk hoog aantal, op een anders al weinig op begrip rekenende twee overlijdens per jaar. Daarmee is de TT dit jaar even dodelijk als de Mount Everest. En de kranten, die doorgaans enkel berichten over dodelijke motor(race)ongevallen, staan er vol van. Omdat sensatie verkoopt, uiteraard. Het speelt ook in op de meest basale emoties bij lezers: doosangst, gekoppeld aan de vraag ‘of dit nog wel verantwoord is’. Uiteraard niet. Mocht racen met een motor al een zweem van nut bevatten, dan zal die altijd flinterdun zijn. Maar wat is het nut van zo snel als je kan de Mont Ventoux op fietsen, om maar iets te zeggen, langs het monument van Tom Simpson?

Gooi ongemeen hoge gemiddelde snelheden, lantaarnpalen en muren in de mix, en dus de kans dat de dood om elke hoek loert, en er blijft geen greintje nut meer over. En toch schuiven er elk jaar opnieuw rijders aan op de mythische Glencrutcherry Road, waarbij Magere Hein letterlijk over hun schouder meekijkt vanaf de aanpalende begraafplaats. Alsof de rijders er nog eens aan herinnerd moeten worden hoe vergankelijk het bestaan wel niet is. Hun vrienden en familie hebben dat wellicht al veel eerder gedaan. Sommigen worden dik betaald om daar te zijn, zeker, maar het merendeel stopt er handenvol geld aan toe. Los van het betalen van de ultieme prijs.

Waarom zou een mens dat in godsnaam willen doen? Om die potente mix van in het eigen lichaam gebrouwen ingrediënten door hun aderen te voelen stromen na het overwinnen van hun eigen doodsangsten. Een mix die emoties oproept die slechts een handvol andere menselijke ondernemingen kan oproepen en die het merendeel van de medemensen nooit zullen ervaren, of zelfs begrijpen. Hoe kan je dat uitleggen aan een risico-avers iemand? Niet. Zoals je aan een TT-racer wellicht ook niet uitgelegd krijgt wat er in godsnaam zo heerlijk is aan zes uur aan een stuk naar een drijvende dobber aan het eind van je hengel zitten staren, wachtend tot er iets gebeurt. Of niet.

Motorracers zijn geen ‘normale mensen’, als er al zoiets bestaat. Ze schuiven letterlijk alles en iedereen aan de kant om zo hard als ze zelf durven, zo hard als de wetten van de fysica het toelaten, een machine te bedienen. Er zijn ook mensen die genoegen halen uit het perfect besturen van een zitmaaier, een vorkheftruck,  een tientonner door de Brennerpas of een F16 in vredestijd. Het genoegen om meester te zijn over een machine begeestert mensen al zolang er machines bestaan. Maar zelden begeestert het zo erg dat het de inzet van je leven rechtvaardigt. Waarbij de angst voor pijn of erger niet opweegt tegen de drang. En nergens is de angst én drang groter dan op Man. Hybris speelt een rol. Uiteraard. Vlieg zoals Icarus te hoog – of te snel in dit geval – en de gevolgen zullen altijd catastrofaal zijn. Maar het opzoeken van die zone waarin de catastrofe zich net niet voltrekt, dat is wat de TT-racer drijft.

Het was F1-rijder Bruce McLaren die ooit liet optekenen dat, in zijn beleving als perfectionist, iets goed doen zo belangrijk was dat sterven om te trachten nog beter te doen geen waanzin was. Dat was voor McLaren testend met een van z’n eigen gebouwde wagens – wagens die al jaren hun raceklasse domineerden – van de baan ging, met dodelijk gevolgen. Met als enige inzet die wagens nóg sneller te laten gaan. Het was generatiegenoot Jacky Ickx die op McLarens begrafenis sprak dat Bruce McLaren stierf bij het doen wat hij het allerbelangrijkst vond en wellicht tot een seconde of twee voor het eind geluk moet hebben gevoeld van een soort die ontzettend zeldzaam is.

De TT-racers worden soms omschreven als gladiatoren. Of als piloten die terugkeerden van een bombardement boven Berlijn. Dat klopt niet, want die gladiatoren en piloten moesten hun leven op het spel zetten tegen hun wil, of toch met gezonde tegenzin. Niemand die aanschuift op de startlijn in Man doet dat omdat hij zich daartoe verplicht ziet. Het was ooit anders, toen de TT deel uitmaakte van een of ander kampioenschap; maar dat is al jaren niet meer zo. Het is geen georganiseerde bloedsport.

De TT was in 1907 de allereerste motorrace die ooit georganiseerd werd, en volgens sommigen nog steeds de ultieme race. De TT is intussen een uniek, op zichzelf staand evenement waar geen punten mee te verdienen vallen. Enkel een gevoel achteraf waarvan de rijders beschrijven dat het hun leven, zo dicht bij de dood geweest, zoveel waardevoller maakt. De Isle of Man TT rijden is een foutloze Rach 3 spelen op een piano bovenop de Everest die je helemaal eigenhandig naar boven hebt gesleurd, vaak met onbegrip van alles en iedereen om je heen, terwijl je om de tweehonderd meter een dodelijke val in een ravijn hebt vermeden.   

IOM TT 2022

Tekst Pieter Ryckaert • Fotografie Honda Racing UK