Oud worden. Het is een sluipmoordenaar. De ene dag hol je naar buiten bij het zien van de eerste sneeuw, de volgende grijp je zuchtend naar de sneeuwschop om de stoep vrij te maken. Ik betrap mezelf erop dat ik zuchtend oud aan het worden ben wanneer de eerste sneeuw valt, dit jaar. Daar dient dus dringend iets aan te veranderen. Komt er juist op dat moment – toeval bestaat immers niet – een mailtje binnen met de vriendelijke vraag van Harley-Davidson of ik wil deelnemen aan Snow Quake. Geen betere remedie tegen oud worden dan een paar Harleys op spikes zetten en ergens in de Italiaanse Alpen op sneeuw en ijs te gaan racen, toch?

Geschreven door Pieter Ryckaert                   Foto’s Snow Quake

 

Vaste lezers zullen misschien nog weten dat ik vorig jaar m’n eerste poging kon wagen in het flat tracken in een evenement genaamd ‘Dirt Quake’. Het is maar wat rondjes draaien op een oval, maar ik kwam terug met een onweerstaanbare onderhuidse jeuk en een smachtend gevoel naar ‘nog meer’ dat enkel junkies kennen. Maar ze weten van geen ophouden bij Harley. Aangezien ze de partij 750 Street Rods toch al hebben verbouwd, kunnen ze voor hetzelfde geld helemaal afgeschreven worden, nietwaar? Aangezien de mannen achter Dirt Quake in de winter nog een ander feestje organiseren, ‘Snow Quake’ genaamd, worden de handen andermaal in elkaar geslagen – zij het nu met dikke, warme handschoenen aan. Dus pakken we het vliegtuig naar Milaan en duiken we vervolgens diep de bergen in, richting Riva Valdobbia en de Rosa Ring aldaar. Vergeef het jezelf als je die naam niet kent, want het is een klein baantje weggestopt in een vallei tussen twee steile bergflanken, waar bedrijven hun personeel even een dag glijplezier aanbieden in Subaru’s en dergelijke. Maar niet dit weekend.

‘Fucking heavy’
Wanneer ik aankom aan de Rosa Ring is het eerste wat we zien bij de inschrijving dat een van de deelnemers een opblaaspop met zich meesleurt. Zo, de toon is gezet. Het valt qua kou nog redelijk mee, al blijken mijn lichtjes geïnfecteerde bovenste luchtwegen het niet te kunnen laten een rokershoest te ontwikkelen waar de Hoogovens jaloers van worden. Eenmaal ingeschreven wandel ik even door de paddock. Ik zie een, eh, eclectische verzameling motoren staan, van een gloednieuwe MV Agusta Rivale 800, gereden door de productmanager van MV, een ex-Steve McQueen 400cc Husqvarna die een vermogen waard moet zijn tot Vespa’s en custom specials op basis van Yamaha XSR 900’s. Het rock-‘n-rolgehalte stopt dus niet bij de opblaaspop. Dolletjes. De Harley Street Rods waar wij mee aan de slag gaan, staan iets verderop. Ze zijn sinds Dirt Quake ietsje aangepast. Boven alles vallen de Continetal banden met spikes op. Nu ja, ‘spikes.’ Het zijn eerder het soort schroeven waarmee je een Ikea-dingetje bij elkaar houdt, met de meest scherpe kant in de band geduwd. Mijn angst om letterlijk aan flarden gescheurd naar huis te keren ebt ietwat weg, maar wordt meteen vervangen door ontzag wanneer ik even het deelnemersveld aanschouw. Dat Ruben Xaus zou aantreden had ik al gehoord. De man leeft intussen in Andorra en helpt daar onder meer een ijspiste uit te baten. Voor motoren, uiteraard. Hij liet dan ook indrukwekkende filmpjes achter op het internet, trainend met z’n Harley. We spreken hem even aan en vragen hem naar z’n ervaringen met de Harley. “Heavy. Really fucking heavy”, is z’n gevleugelde antwoord.

Demonstratierondjes
Xaus beschikt over het dierlijke aura van een luipaard die z’n prooi besluipt. Hij ziet er niet alleen gevaarlijk uit, als je hem ooit hebt zien racen weet je ook dat hij het gewoon ís. En daar loopt z’n ex-teamgenoot én WSBK-wereldkampioen Neil Hodgson. En daar een van de Laverty’s, Michael om exact te zijn. En daar Isle of Man TT-rijder Peter Hickman. En is dat niet David Knight, als in: ‘viervoudig enduro-wereldkampioen en offroadlegende David Knight?’ God, daar een van m’n absolute helden, oud-WSBK-rijder Giovanni Bussei. Dat was die bebaarde wildeman met die franjes op z’n pak en volgens Valentino Rossi een van de grootste talenten die hij ooit op een motor zag zitten. Mijn doel om net als bij Dirt Quake de finale te halen, smelt als een opblaaspop die net iets te lang bij de open haard heeft gelegen.

Veel tijd om me zorgen te maken krijg ik niet, want al vrij snel worden we opgeroepen om naar de briefing te luisteren. Die briefing gebeurt op z’n meest wanordelijkst, zeg maar ‘Italiaans,’ waarbij herhaaldelijk wordt gezegd dat het niet om ‘races’ gaat, maar om ‘demonstratierondjes.’ Maar telkens ze zeggen hoeveel rondjes elke manche zal tellen, spreken ze van een ‘race’ – om nadien zichzelf weer te corrigeren naar ‘demo.’ Dat slechts de eerste twee van elke manche naar de finale gaan, maakt dat de blik bij velen reeds op oneindig gaat. Racen dus. Spikes om de banden of niet. Omdat we al in de tweede manche van start gaan, is het even haasten om het pak aan te trekken. Dat gebeurt gewoon in een ijskoude bus. Glamour lijkt hier bij wet verboden. Mooi zo. Ik trek voor de zekerheid een laag of zes T-shirts aan onder m’n pak en probeer me dan op de totale ijsvlakte een weg te banen naar de paddock.

Grip
De eerste reeks, bestaande uit ‘Inappropriate Road Bikes,’ oftewel ‘van de pot gerukte wegmotoren’ staat al klaar. Ik zie de prachtige MV, de omgebouwde XSR 900 en nog wat dingen die ik niet meteen herken. Ruben Xaus zit al klaar op z’n Harley. Z’n ogen schieten vuur en de uitlaat van z’n Harley net zo. Ik merk terloops op dat zijn voorvork als enige met een Öhlins-stickertje is versierd. Niet enkel heeft hij al getraind, hij moet zo nodig ook nog een beetje gaan valsspelen. Demo, m’n ‘culo’. Ik weet niet of het die gedachte is, of het vertrouwde gevoel van de rare zithouding op de Street Rod, maar ik voel net als bij Dirt Quake een vreemde mix van agressie en motivatie in me opborrelen. Niet dat ik me illusies maak dat ik Xaus ooit ga kloppen, maar de rest van m’n serie moet kapot. Die bestaat uit twee collega’s uit de Lage Landen en een uiterst sympathieke Zweedse, die zegt enige ervaring te hebben met het rijden op bevroren meren.

We volgen de eerste groep de baan op. Ik geef meteen goed gas, kwestie van een feeling voor de grip te krijgen. En tot m’n verbazing schiet ik keihard naar voren. Het achterwiel spint nauwelijks door. De hoeveelheid grip is verbazend. We worden naar de start geleid, waar de man met de finishvlag meteen in Italiaanse razernij uitbarst, want blijkbaar zijn we door z’n collega verkeerd gestuurd en kwamen we tegen het verkeer in de baan op waar hij bijna een andere heat los wilde laten. Dat had meteen spektakel opgeleverd! Het valt me op bij de start van de eerste heat dat de rijders met veel gas vertrekken en nauwelijks spinnen. Intussen zit Xaus z’n handen op te warmen aan het blok van z’n Harley. Ik voel geen kou. Nauwelijks 5 minuten later mogen we onze startposities innemen.

Tagliatelli 1 en 2
Ik sta in het midden van onze groep. De vlag gaat naar beneden en voor ik het weet stuif ik zij aan zij met Xaus richting de eerste bocht. Nu ja, ‘bocht.’ Het is een opwaartse passage tussen twee sneeuwmuren die lichtjes naar links draait. Deze passage heet ‘Tunnel of Love.’ Xaus had gezegd dat het hier erg slecht ligt en dat je de buitenkant moet nemen, maar hij schiet vlak voor m’n wiel naar links en neemt de binnenkant. De lijperd. Ik volg. Ik voel hoe de Harley voor het eerst grip verliest. Het voorwiel zet een stap opzij in een diepe groef in het ijs, maar ik kom als tweede uit de bocht. Wanneer ik de volgende, lange linker induik zie ik Xaus al niet meer. Maakt niet uit. Tweede plaats is wat telt. Bij het uitkomen van de lange linker ga ik hard op het gas. De Harley breekt uit, maar het is allemaal mooi te controleren. De volgende bocht is een krappe, neerwaartse rechter die meteen overgaat in een even krappe linker.

Tagliatelli 1 en Tagliatelli 2, ik verzin het niet. Ik heb al ingeprent dat op Tagliatelli 2 het langste rechte stuk volgt. Belangrijke bocht dus. Ik ga vol op het gas. De Harley breekt opnieuw uit, maar de spikes doen hun uiterste best om zich vast te bijten in het ijs. Ik gebruik de breedte van de baan zo optimaal mogelijk. Terwijl ik naar derde versnelling schakel, word ik uit het zadel gewipt door een paar monumentale hobbels. Ik schat dat ik net geen 100 km/u aantik voor ik vol in de remmen moet. Nu ja, rem, want de voorrem is gedemonteerd. Gelukkig heb ik geopteerd voor triallaarzen, waardoor ik veel feeling heb in de achterrem. Ik voel het achterwiel lichtjes blokkeren, maar kan mooi doseren. Ik ga vol door een plas aan de binnenkant van de bocht, zeer toepasselijk ‘Puddles’ genaamd. Zowel de voor- als de achterkant van de Harley zetten een stap opzij. Door m’n linkervoet uit te steken hou ik het zaakje recht. 100 meter verder zit de eerste ronde er al op. Maar achterom kijken zit er niet in, want daar is de tunnel al opnieuw.

Mission accomplished
Die neem ik opnieuw aan de binnenkant. De Harley schiet in de diepe groef en het voorwiel slaat bijna uit m’n handen. Met beide voeten van de voetsteunen kom ik uit de tunnel en ik hoor het publiek joelen boven het immense gebrul van de Harley uit. Ik haal opnieuw zonder veel problemen Tagliatelli 2 en het volgende rechte stuk. Ik ben intussen al gewend aan de grip en rem later. Te laat. In een plas verliest de Harley opnieuw grip en ik ga wijd. Niemand komt me voorbij. Ik rijd het volgende rondje foutloos en word als tweede afgevlagd. Mission accomplished. Terugrijdend richting de pits komt pas het besef hoe leuk dit was. Niet zo leuk als flat tracken, maar het komt verdomd dicht in de buurt. Het is moelijker. Bij flat tracken verlies je progressiever grip. Voel je makkelijker waar je limiet ligt. Op ijs is het verschil tussen grip en glijden veel bruusker. En omdat je in flat track slechts twee linkerbochten hebt, hoef je je veel minder op de baan te focussen. Dat komt ook je rijstijl ten goede. Ellebogen omhoog, pushen op die rechter voetsteun en bijduwen op je linkerbeen. Ik besef nu pas dat ik te veel als op een straatmotor zat, en te weinig een MX-stijl heb toegepast. Wanneer onze groep weer voltallig is, staat iedereen wat uitgelaten te kirren terwijl we naar de andere reeksen gaan kijken. Ik ben onder de indruk van een kleine Italiaan op een 125cc Honda Enduro bij de ‘Retro’s’. De man is spectaculair. Maar niet zo spectaculair als Giovanni Bussei. De bebaarde held jaagt z’n CR500 tweetakt over het ijs met een aplomb en feeling die nu al weggeeft wie hier de snelste man van de dag is. Z’n franjes wapperen als in z’n beste WSB-dagen. Ook al beweert hij dat hij een dag eerder te veel wijn heeft gezopen.

Bokaal of fucking hospitaal
Niet veel later sta ik opnieuw op de startgrid. Deze demo telt slechts twee ronden. Wanneer de vlag naar beneden gaat, kan ik geen grip vinden. Ik kom pas als derde uit de tunnel. In deze korte reeks mag ik niet treuzelen. Bij Tagliatelli 1 rem ik een Belgische collega uit, met geblokkeerd achterwiel. Naar de hel met doseren. Maar ik ga wijd en hij kan achter m’n rug binnendoor steken. Ik ga erg wijd, kan gelukkig m’n derde plaats behouden, maar heb een paar meter goed te maken. Bij het uitkomen van de tunnel krijg ik opnieuw aansluiting. Ondertussen blijkt de baan veel minder grip te bieden, na vijf andere races. Correctie, demo’s. Het ijs is al aan gort gereden. Ik plan een nieuwe aanval in Tagliatelli 1, maar m’n tegenstander houdt de deur professioneel gesloten. Ik zie m’n remspoor van de vorige ronde en verlies even concentratie. Ik blokkeer opnieuw het achterwiel, maar trek de koppeling te weinig in, waardoor de V-twin blokkeert en stilvalt. Ik grijp vol naar de koppeling en druk als een bezetene op de startknop. Brullend komt de V-twin weer tot leven. En omdat de Tagliatelli’s naar beneden lopen verlies ik nauwelijks twee meter. Die maak ik goed bij het aanremmen van Puddles, maar opnieuw houdt m’n tegenstander de deur mooi gesloten. Bij het uitkomen kan ik achter z’n rug naar binnen komen, terwijl hij wat uitwaaiert. Het is nog hoogstens 100 meter naar de finish. Bokaal of fucking hospitaal! Ik ga op het gas, kom driftend de bocht uit en steven recht op de man met de finishvlag af. Geen haar op m’n hoofd denkt aan gas lossen. De man kan net op tijd opzij springen, en ik finish tweede met net m’n Harley voorsprong. In tegenstelling tot de eerste reeks sta ik, eens terug in de pits, wel te daveren van de adrenaline. Maar de finale is binnen.

16 again
Voorafgaand aan de finale is er een meeting met alle rijders in de paddock. Het programma is een beetje uitgelopen. Normaal zouden we vijf rondjes moeten rijden, maar de organisatie wil de finale inkorten tot vier ronden. Het komt tot een democratische stemming met een verpletterende meerderheid die gaat voor vijf rondjes. Mooi zo. Niet veel later schuif ik aan op de vijfde plaats voor de finale. Ik zie tot m’n blijdschap dat Kane Dalton, een Britse collega, achter me aansluit. Dat deed hij op Dirt Quake ook. We geven mekaar tien handjes, thumbs up en nog zo wat van die aanmoedigingen. Maar los daarvan wil ik z’n scalp opnieuw. Ik heb nog even met Ruben Xaus gesproken over z’n start. Hij beseft intussen dat ik geen bedreiging vorm en zegt dat de grip rondom de baan helemaal weg is.
Je moet dus heel beheerst vertrekken, zonder veel gas. Wanneer de vlag naar beneden gaat, maak ik even aanspraak op de vierde plaats, maar in de nauwe tunnel geef ik voorrang. Bij het uitkomen van de lange linker zijn de eerste vier, met Xaus op kop, al opnieuw bijna uit het zicht verdwenen. Maar ik hoor Kane achter me brullen. Het gaat dus om niet als laatste finishen. De grip is echt overal weg. We lijken op het verpulverde ijs wel op zand te rijden. De spikes hebben nauwelijks nog kans om zich in het ijs vast te zetten. Ik raak een paar keer gevaarlijk de voorkant kwijt en de twijfel slaat toe. Kane ook. In de tweede ronde komt hij in Tagliatelli 1 buitenom voorbij. Hij heeft zichtbaar meer grip. Ik snap dat de buitenkant van de baan wellicht minder kapot is gereden. De derde ronde gebruik ik om grip te zoeken. En dat lukt. Ik kruip dichterbij. Al ram ik bij uitkomen van ‘Tag 2’ bijna Ruben Xaus die met z’n lange benen in de lucht ligt te spartelen naast z’n Harley. In de vierde ronde rem ik voor Puddles, aan de buitenkant, zeker 10 meter later en stuif ik Kane voorbij. Een collega vertelt achteraf dat het snelheidsverschil zo groot leek dat hij ervan overtuigd was dat ik rechtdoor zou gaan, maar ik haal de bocht zonder problemen. Bij het opkomen van het lange rechte stuk in de laatste ronde kijk ik achterom en zie dat Kane 10 meter achter me zit. Ik neem geen risico’s in de laatste bocht en kom als vierde over de finish. Nadien vallen ik en Kane elkaar in de armen. Hij zei dat hij zo hard schrok van m’n snelheid toen ik hem passeerde dat hij niet eens meer wilde aandringen. “Als je het zo hard wil, mag je het hebben, mate!” God weet dat ik het wilde. En ik heb wat ik wou. Ik keer huiswaarts met het gevoel alsof ik opnieuw 16 ben…