Stel je voor dat Valentino Rossi in 2007 was gestopt met racen en dat hij dit jaar, na elf jaar afwezigheid en 39 jaar oud, eenmalig zou terugkeren tijdens de TT van Assen. Op een privémotor. En dat hij de race zou winnen. Klinkt ongelooflijk, niet? Dat is exact wat Mike Hailwood in 1978 deed – niet in Assen, maar tijdens die andere TT: de nog veel moeilijkere en gevaarlijkere Isle of Man TT. Het goot het fundament van de legende ‘Mike Hailwood’ in gewapend beton en verklaart waarom velen die ‘Mike the Bike’ ooit aan het werk zagen nog steeds beweren dat hij de beste aller tijden was, ongeacht de Rossi’s van vandaag.

Geschreven door Pieter Ryckaert
Foto’s Jonathan Godin, Archief A. Herl, Inc.

Voor de Dunlops en McGuinnessen van deze wereld zijn record van veertien TT-overwinningen verbraken, was Mike Hailwood de ongekroonde koning van het eiland Man. Hoewel hij sporadisch nog wel een paar races reed, stapte Hailwood na 1968 – toen Honda stopte met GP-racen – over op vier wielen. Daar deed hij het behoorlijk goed; met onder meer een Europese titel in de F2, waar in die tijd ook alle F1-toppers meereden. Tot hij in 1974 op de Nürburgring zwaar crashte met z’n McLaren F1-wagen en zichzelf met een pakket ernstige beenbreuken opzadelde. Hailwood trok zich terug in Nieuw-Zeeland, maar al gauw sloeg de verveling toe en in 1977 zat hij toch weer op de motor – een Ducati 900SS – voor een Australische endurance-race. Hoewel hij had aangegeven dat hij alleen maar meereed voor de lol, bleek er meer aan de hand. In een brief aan z’n manager Ted Macauley beschreef hij eerst uitgebreid zijn leven in Nieuw-Zeeland, waarna hij met een droog ‘and now for something completely different’ aankondigde dat hij in 1978 weer de Manx TT wilde rijden. Zijn enige bezorgdheid? Het plan geheimhouden voor zijn vrouw Pauline. Die verklaarde achteraf dat ze al lang iets in de smiezen had en dat ze ondanks haar angst wist dat ze Mike nooit tegen zou kunnen houden. Hailwood klopte eerst bij Honda aan, maar de Japanners wimpelden hun voormalige sterrijder beleefd af. Yamaha had echter wél oren naar Hailwoods plan en Martini sprong mee op de trein als sponsor, waarmee Hailwood meteen financieel een goede zaak deed. Hij zou aantreden in de Junior-race met een TZ250, in de Senior met een TZ500 en in de Classic TT met een TZ750. Voor de zogeheten F1-race, een race voor ‘gewone’ motoren die je in de winkel kon kopen, zocht Hailwood echter nog een motor. Macauley ging praten met Sports Motorcycles, een dealer die onder meer Ducati en Moto Guzzi in de portefeuille had, met de vraag of zij geen machine ter beschikking wilden stellen. Toen de dealer hoorde dat Hailwood amper 1.000 pond vroeg – pakweg een derde van een nieuwe 900SS – was de deal meteen beklonken: het team zou Hailwood een speciale Ducati 900SS uitlenen. Hailwood was dolblij: het Italiaanse merk betekende veel voor hem. Zo won hij in 1959 z’n eerste GP op een 125cc Ducati Bialbero. Dat hij die bewuste F1-race ook nog zou winnen, had niemand vooraf kunnen denken…

Mike Hailwood stierf in 1981 in een verkeersongeluk. Samen met z’n zoon en dochter was hij in z’n trouwe Rover op zoek naar een portie fish & chips toen een vrachtwagen een U-bocht maakte. Ondanks z’n jarenlange race-ervaring kon Mike de vrachtwagen niet meer ontwijken, alleen zijn zoon overleefde het ongeval. Je hoeft niet spiritueel aangelegd te zijn om Mike Hailwood op het Isle of Man te vinden: zijn geest waart nog steeds over het eiland, dat bijna synoniem is geworden met zijn naam.

Mythisch gebulder
Daarom ben ik hier. Op m’n eigen Ducati 750 Supersport. Het is nog vroeg op Man. Het verkeer langs de mythische ‘grandstand’ is druk. Ik trotseer de snijdende wind die vanaf de Ierse Zee landinwaarts blaast; een drietal oudjes houdt me nauwgezet in de gaten vanuit een bushokje. Ik sta te kijken naar de gedenkplaten op de hoek van Greenfield Road en Glencrutchery Road, waar de start/finish van de TT-course ligt. Het gedenkteken van Mike Hailwood hangt er broederlijk naast dat van Joey Dunlop; die andere tragisch om het leven gekomen TT-legende. Ik beeld me in hoe geweldig het zou zijn om over de TT-course gegidst te worden door de man zelf. De Mike Hailwood van 1978. Kalend, maar met die typische glimlach. Ik zou hem vertellen dat m’n 750SS een afstammeling is van de 900SS waarmee hij in 1978 de Formue-1 TT reed. Dat vóór zijn overwinning Ducati op het punt stond – niet voor het eerst – om enkel nog dieselmotoren te bouwen voor vrachtwagens, wat lucratiever was dan motorfietsen bouwen. Dat de koningsas sinds de Ducati Pantah is vervangen door een riemaandrijving, maar dat de L-twin, de desmodromische kleppen en het buizenframe rechtstreeks aan zijn motor van toen gelinkt kunnen worden. Mike zou beleefd luisteren, techniek heeft hem nooit geboeid. Zelf zei hij ooit dat hij alles wat hij van techniek afwist op een postzegel kon schrijven, en dan nog plaats over zou houden ook. Ik zou alles willen weten over zijn Ducati 900SS. Vooral wie nu precies wat bouwde, want daar is tot de dag van vandaag discussie over. Maar iets zegt me dat hij daar geen zin in zou hebben. Dat hij zonder nog iets te zeggen z’n kenmerkende wit/gouden helm op zou zetten en z’n 1978 Ducati 900SS zou starten. Begeleid door mythisch gebulder. Dat geluid kostte Hailwood trouwens bijna z’n overwinning, bedenk ik me. Toen iemand van het team de motor langs de technische keuring bracht, zei de verantwoordelijke van de keuring luid en duidelijk dat de Ducati niet meer zou starten, toch? “Tuurlijk wel”, reageerde de monteur. Waarop de official nog een keertje luid en duidelijk zei dat de Ducati NIET meer zou starten. Pas toen zag de monteur dat de mensen van het Honda-team iets verderop met andere officials stonden te overleggen. Hoewel volstrekt legaal, probeerde Honda een klacht in te dienen om de Ducati te diskwalificeren – een wanhoopsdaad om alsnog de overwinning te claimen.

Crosby
We nemen plaats op de startlijn voor de grandstand. Die is nu volkomen leeg, maar in 1978 stond er een recordaantal toeschouwers klaar om Mike naar de overwinning te schreeuwen. Meer dan 60.000 fans maakten de oversteek naar het eiland en verdubbelden die dag het aantal bewoners. Ook het aantal inschrijvingen voor de races was enorm. Elke Britse racer leek samen met z’n idool te willen racen op Man. De TT was twee jaar eerder de status van WK-race kwijtgeraakt wegens te gevaarlijk, maar de comeback van Hailwood was meteen ook een comeback voor de TT.

We accelereren vol richting Bray Hill. Hailwoods Ducati was sneller. Het vermogen van z’n 900SS werd destijds op zo’n 90 pk geschat, terwijl een intense gewichtsbesparing een rijklaargewicht van 179 kilogram opleverde. Dat is 20 pk meer en 20 kg minder dan mijn 750 Supersport. Het waren de legendarische Fabio Taglioni, de man die Ducati synoniem maakte aan desmodromische kleppen, en Franco Farné die de SS zo snel hadden gemaakt. Maar niet zo snel als de Honda’s destijds. Mijn vermogenstekort is exact wat Mike tekortkwam op de Honda van Phil Read, z’n grootste tegenstander tijdens de F1 TT in 1978. Read was een van de weinige collega-racers met wie Hailwood niet overweg kon. Onder andere door Read was de TT z’n WK-status kwijtgeraakt; maar toen hij veel geld aangeboden kreeg om in 1977 opnieuw aan te treden, keerde hij toch terug. Dat werd hem niet in dank afgenomen: de fans bekogelden hem zelfs met stenen, al weerhield dat hem er niet van om in het zadel van z’n Honda CB de TT te winnen. Intussen duiken we via Bray Hill naar beneden. Bij Quarter Bridge en Braddan Bridge doen we het kalm aan. Het is koud en de banden warmen nauwelijks op. Hailwoods stijl was destijds met geen pen te beschrijven: vloeiender dan water dat uit een kraan stroomt.

Hij zat rotsvast in het zadel en bewoog geen millimeter. In 1978 was de buitenboordstijl het grote nieuws, maar Hailwood heeft daar nooit aan meegedaan. Als vastgeroest in het zadel, bewegingloos, zwiepte hij door de snelle slingers van Union Mills en Crosby. In zijn eerste trainingsronde in ‘78 ging z’n Ducati hier kapot – of althans de Lucas ontsteking. Die werd nadien vervangen door een standaard exemplaar en zou geen problemen meer veroorzaken. Hailwood benutte de stabiliteit van de Ducati ten volle. Het is hier dat hij ondanks een vermogenstekort veel tijd moet hebben gewonnen op Read, die kampte met een veel moeilijker sturende Honda. Om er dan in het technische stuk van Ballacrain tot Cregwillys Hill nog een schepje bovenop te doen. In 1978 kwam hij hier in z’n eerste ronde al aan de leiding voorbij, met de snelste tijd (tijdens de TT starten de rijders twee aan twee en wordt er tegen de tijd gereden, red.). Hailwood was 50 seconden na Phil Read gestart, die als eerste was vertrokken, maar hij had al ettelijke seconden goedgemaakt. Deze snelle opeenvolging van bochten is volgens zij die het kunnen weten het moeilijkste stuk van de TT om onder de knie te krijgen.

Toen Hailwood ter voorbereiding op de TT van 1978 anoniem deelnam aan de Manx GP – de amateurversie van de Manx TT, zeg maar – merkte hij hier al dat hij niks van z’n circuitkennis was kwijtgeraakt. Dit is ook, samen met de beruchte Mountain, het mooiste stuk van de TT. Je rijdt langs de oevers van de rivier Neb en de herfstkleuren en totale afwezigheid van verkeer maken het geheel nog mooier.

Dickie
Eenmaal voorbij Sarah Cottage en Cregwillys Hill benut ik het koppel van de L-twin ten volle. Ik merk nu pas hoe fris het is. Af en toe gaat m’n motor wat sputteren, want ook mijn Duc houdt niet van de kou, maar we zetten door en naderen Ballaugh Bridge, bekend om de sprong. Hailwood remde hier vrij vroeg. Hij groeide op met trommelremmen en zou tijdens de TT nooit wennen aan de nieuwe, veel krachtigere schijfremmen. Ik houd het gas mooi stabiel en land op m’n achterwiel. Wel nodig ook, want mijn SS is notoir zwak rondom het balhoofd. Ik zwaai nog even naar de vriendelijke bestuurder van de bestelwagen die mooi heeft gewacht om me door te laten. We denderen over de bloedsnelle Sulby Straight richting Ramsey, waar het intussen stevig is gaan regenen. We stoppen bij het tankstation vlak voor Parliament Square en warmen ons op aan een pot thee. Deze plek vertelt het verhaal van Richard Attwood, ‘Dickie’ voor de vrienden. De voormalige F1-rijder en winnaar van de eerste 24u van Le Mans (voor Porsche) vergezelde Hailwood naar de TT en bood aan om een pitbord te bedienen, vlakbij het uitkomen van Parliament Square. Het team had walkietalkies gekocht om te communiceren. Die dingen werkten echter niet zo goed, dus werden overal mensen geposteerd die de telefooncellen hadden opgeëist en de tijden doorbelden naar de telefooncel bij de grandstand. Amateuristisch, maar het werkte. Dickie nam hier in Ramsey het pitbord voor z’n rekening. Het is een mirakel dat dat lukte. 

Dickie vertrok bij de pits op een XS 1100 die hij van Yamaha mocht gebruiken, met het pitbord op z’n rug gebonden. Alleen had hij had nog nooit met een motor gereden. Tijdens de Senior TT werd hij bijna gearresteerd. Hailwood kreeg juist op deze plek pech, op de Yamaha 500. Dickie sprong op de baan om de Brit aan te duwen. Dat was uiteraard verboden, maar dat wist hij niet. Een agent arresteerde Attwood bijna, het had uiteindelijk enige voeten in de aarde om hem z’n straf te laten ontlopen.

De ironie
Terwijl het pijpenstelen blijft regenen, vraag ik me af vanaf welk moment Hailwood het gevoel moet hebben gehad dat hij de onmogelijk geachte overwinning toch binnen zou halen. De overlevering leert ons dat Hailwood na de eerste training had gezien dat Phil Read uitgeput van z’n Honda kroop terwijl hij zo fris als een hoentje van de Ducati stapte. Dat gaf hem vertrouwen. Na de trainingen wist Hailwood dat de F1 z’n enige kans zou worden. Hij vond de TZ750 ronduit levensgevaarlijk en op de TZ250 was hij minder zeker van z’n zaak. En op de 500 waren er een paar gewoon echt sneller. Maar de Ducati was geweldig. Read was z’n enige echte concurrent. Hij haalde na de hairpin alles uit de Honda in een poging om Hailwood op te jagen in de hoop dat hij de Ducati in de soep zou draaien. Maar Hailwood kende ‘Ready’ en z’n trucjes al langer. Vlak voor de TT had Read hem nog een telegram gestuurd: hij was blij om Hailwood terug te zien op het eiland. Achter hem. Hailwood stuurde terug: ‘Alleen wanneer ik je op een ronde zet…’ Het was ironisch genoeg Reads Honda die in de soep draaide. Ondanks de wrijving tussen beide mannen kwam Read na afloop wel in Hailwoods hotelkamer om hem de hand schudden, nog steeds in z’n pak. Op Reads vraag hoe hij het had geflikt, antwoordde Hailwood dat hij een jaar geen alcohol meer had gedronken en al z’n overtollige kilo’s kwijt was. Hij was fysiek top, op z’n uit de F1-periode ernstig gehavende rechterbeen na dan. Dat was trouwens ook de reden om met een Ducati te gaan rijden, die hadden destijds een schakelpedaal aan de linkerkant. Het verhaal gaat dat het team een apart schakelpedaal liet maken bij een bedrijf dat normaal onderdelen maakte voor atoomduikboten. In ruil voor wat T-shirts…

Hailwood’s Rise
Het is gestopt met regenen. Tot de Gooseneck is het nog nat, maar vanaf Guthries ligt het asfalt er droog bij. Er is wat meer verkeer, maar omdat hier geen snelheidslimiet geldt hebben we daar weinig last van. Op dit mythische stuk weg waren Hailwood en de Ducati 900SS voor elkaar gemaakt, een van de redenen waarom hij op die dag, op 4 juni 1978, het ronderecord brak met 110,25 mijl (176,4 km/u). Daarmee was hij op z’n semi-straatmotor sneller dan alle speciale racemotoren zoals z’n eigen TZ500, die dat jaar nog de wereldtitel in de 500cc GP’s zou winnen. Na de Bungalow volgt Hailwood’s Rise. ‘Hailwoods helling’, al kan het net zo goed vertaald worden als ‘Hailwoods wederopstanding’. Dat is het laatste stuk bergop voor de Mountain Road bergaf terugkeert richting Douglas. Het is moeilijk om me in te beelden hoe Hailwood zich gevoeld moet hebben, hier, op dit stuk weg omzoomd met duizenden toeschouwers die juichend met programmaboekjes zwaaiden terwijl hij in z’n laatste ronde richting de finish raasde. Bij de Nook moeten we even de omleiding volgen en kunnen we dus niet het eigenlijke TT-circuit volgen. Dat is de scherpste haarspeld van het hele circuit, dus niet erg: m’n Ducati is gemaakt voor het snellere werk, niet voor krappe haarspelden. Terwijl ik me opmaak om te stoppen bij de pits, zie ik in gedachten Mike vol doorgaan. Vlak voorbij de finish kijkt hij om, steekt z’n hand op en vervaagt dan vrijwel in het niets voordat hij opnieuw Bray Hill heeft bereikt.