Eeen paar maand terug sprak ik nog mijn beperkte bewondering uit voor een zekere vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid. En kijk, de ‘gele hesjes’ hebben intussen de boel in Frankrijk zo op stelten gezet dat de Franse regering met de handen in de kalende kruin zit. Niet dat ik mezelf vereenzelvig met de beweging der ‘gilets jaunes’, laat staan als aanstoker verantwoordelijk wil zien, maar ik bekijk het allemaal met een zeker amusement. Ik heb luidop zitten lachen met een foto van een drietal hesjes die zich knielend en met enorme bouwvakkersreten verschuilen achter een groot stuk karton terwijl ze met opgestoken middenvinger een waterkanon trotseren. Kan het symbolischer?

Je moet je oprecht vragen stellen bij een dolgedraaide meute die willekeurig Porsches op hun dak keilt en winkelruiten inslaat; maar het onderbuikgevoel dat uitgaat van het hele gebeuren, daar kan ik wel inkomen. Niet goedpraten, maar wel inkomen. Als je op een dag merkt dat het volgooien van je verroeste Renault 21 alweer een pakje Gauloises extra kost en je bijgevolg niet meer weet hoe je je kinderen die maand te eten moet geven, dan snap ik dat je het door de Europese richtlijnen verplichte gele hesje vanonder het ietwat nukkig piepende kofferdeksel vist en ermee de straat op trekt.

Dat de hele boel intussen volledig van de pot werd gerukt, is ook eenvoudig uit te leggen als het vasthouden aan negatieve aandacht. Als ik m’n dochter van vier andermaal negeer omdat ik me weer mateloos zit op te winden over pakweg de dertigste keer ‘Tierlantijn’ op de radio die dag, strooit ze het hele huis vol papiersnippers en smeert ze de muren vol met vingerverf aangelengd met snot tot ik boos word. Beter negatieve aandacht dan geen aandacht, moet ze denken. Daarbij kan ik haar geen gelijk geven, maar wel snappen. Dat is bij de gele hesjes volgens mijn beperkte visionaire vermogen niet anders. Vergelijk het met al die motorrijders die een geel hesje dragen. Die smeken op hun manier ook enkel om aandacht, want niemand met het minste beetje gevoel voor esthetiek trekt met plezier zo’n flapperend fluo niemendalletje aan. Maar meer hebben we als motorrijders niet om aandacht te vragen.

Want ook motorrijders worden keer op keer straal genegeerd door een overheid die zich afvraagt of een bepaald pact nu al dan niet rechtsgeldig is; maar tegelijk wel tweewielers uit het mobiliteitsbudget weert, de wegeninfrastructuur laat verpauperen, brandstofprijzen de pan uit laat swingen, rijbewijzen zo duur maakt dat niemand ze zich nog kan veroorloven en het vertikt om rijopleidingen onder de loep te nemen. En we hebben godverdomme een premier en een minister van Economie die motorrijden. Tenminste, de laatste keer dat ik nog aandacht kon opbrengen voor wie nu nog op welke ministerpost zit. In Wallonië werd laatst de verkoop van bier in benzinestations verboden. Onze Vlaamse minister van Verkeer, die ik zelfs niet meer bij naam wil noemen, zal daar niet aan toegeven. Maar wel staan kakelen dat we tegen 2020 nul verkeersdoden op de Vlaamse wegen willen en dat het aantal verongelukte motorrijders dit jaar opnieuw is gestegen. Wist u trouwens dat er nergens in België zoveel bier verkocht wordt als in het tankstation waar de E40 aansluit op de Brusselse ring? Dat is die plaats waar motorrijders in hun gele hesjes vaak door de file rijden. Misschien moeten we met een hele meute motards met gele hesjes daar even de biervoorraad gaan plunderen en die dan door de ruiten van de kabinetten gaan gooien om aandacht te vragen? Ik zeg maar wat. Maar als u me toestaat ga ik nu even m’n dochter knuffelen, want ik zie haar net met een schaar, blad papier, potten verf en druipneus richting de woonkamer hollen. Bestaan er kindermaten voor gele hesjes, vraag ik me spontaan af?  

Pieter Ryckaert, pieter@motorrijder.be