Mijn grootvader zaliger heeft ooit gezegd dat alle Ryckaerts benzine door hun aderen hebben stromen. Ik zou daaraan willen toevoegen dat het echte benzine is, en niet van die aangelengde ‘bio’ meuk waarvan je carburatoren verstopt raken of die algen in je benzineleiding laat groeien. Wat ik daarmee wil zeggen, is dat alle Ryckaerts vooral begaan zijn met klassiekers. Of het nu twee, drie of vier wielen betreft, maakt ons niet uit. Mede daarom ga ik ook dit jaar opnieuw naar de Goodwood Revival, een soort van Aalst Carnaval voor liefhebbers van klassieke racewagens en -motoren, maar dan op niveau, zeg maar. En zonder klachten van de Joodse gemeenschap achteraf.

Goodwood is een racebaan aan de Britse zuidkust die na een periode van verval in ere werd hersteld door de kleinzoon van de stichter, Lord March, maar dan wel zoals de baan er in de jaren 50 uitzag. Tijdens de Revival wordt iedereen opgedragen om zich te verkleden in ‘period dress’. In mijn geval is dat een R.A.F.-kostuum, omdat ik ook iets heb met vliegtuigen en de heren Biggles en Buck Danny. Ik was er twee jaar geleden voor het eerst en het voelde als thuiskomen. Niet enkel vanwege alle klassieke auto’s en motoren, maar ook gewoon de sfeer en de mensen. Het is de bevestiging dat ik een jaar of 25 had moeten zijn zo rond 1960, omdat het volgens mij de mooiste periode voor petrolheads moet zijn geweest.

In april maakte ik een verhaal over klaverbladracen, een ‘discipline’ die vooral met de jaren 90 geassocieerd kan worden. En dat zette me aan het denken: ik was vijftien in 1994. En godallemachtig, wat een mooie tijd was dat zeg! Ik was zelf te jong om er optimaal van te profiteren, maar de jaren 90 waren geweldig voor wie benzine door z’n hart pompt. In de GP’s had je de heren Lawson, Doohan, Rainey, Kocinski, en m’n favoriet Schwantz. Collega Mat Oxley doopte deze generatie ‘The Age of Superheroes’ en gelijk heeft hij. Tegelijk had je het WK Superbike met Fogarty, Russel, Edwards, Slight, Chili en Rob Phillis. De Australiër werd in 1988 gevraagd of hij wereldkampioen Superbike wilde worden. Z’n antwoord was: “I sure as hell didn’t come over to fuck spiders, mate.” Ik zie het pakweg Jonathan Rea nog niet zeggen. In het WK Motorcross waren de Belgen nog de absolute top. In de F1 leefde Senna nog net, terwijl de Duitse en Britse touringcarkampioenschappen, respectievelijk DTM en BTCC, elke week op Eurosport werden uitgezonden en ik nooit harder heb weten racen op twee of vier wielen dan in die klasses.

Als ik de Historic GP in Zolder even niet meereken, waren de DTM-races van 1991 trouwens de eerste echte races die ik ooit heb gezien. Ik heb er een hardnekkige obsessie voor de E30 BMW M3 aan overgehouden, terwijl ik de naam Johnny Cecotto – de Venezolaanse ex-GP-wereldkampioen die later naar de auto’s overstapte – altijd met ontzettend veel eerbied ben blijven uitspreken. En als de uitzending gedaan was kon ik gewoon voor het raam gaan zitten en kijken en luisteren naar de dorpsgenoten die op hun FireBlades, ZXR’s, GSX-R’s en één enkele 916 voorbij m’n ouderlijk huis reden. Als het regende ruilden ze hun superbikes voor 205 GTI’s en Honda CR-X’en met VTEC. Het indoorkarten en -pocketbiken stak net de kop op, iets wat ik in die periode wekelijks ging doen. En bovenal was het een periode waarin de files nog meevielen en men zich nog geen al te grote vragen stelde bij snelheid en emissienormen, laat staan bij Aalsterse praalwagens. Dus ik heb sinds deze maand m’n mening herzien: de jaren 90 waren de mooiste periode ooit voor wie zich nog een rechtgeaarde petrolhead durft te noemen.

Pieter Ryckaert, pieter@motorrijder.be